li_2.jpg
fvr logo

Maria van Duyst van Voorhout, douairière van Frederik Baron van Reede, Vrijheer van Renswoude en Emmikhuijzen, overlijdt te Utrecht op 26 april 1754. Zij bepaalde in haar testament dat een deel van haar vermogen ten goede moest komen aan drie verschillende weeshuizen, te weten het Burgerweeshuis te ’s-Gravenhage, het Weeshuis der Gereformeerden te Delft en het Stadsambachtskindertehuis te Utrecht.

Het beschikbare kapitaal in 1754, 1.500.000 gulden, moest in drie aparte stichtingen worden ondergebracht. Zo ontstonden er drie rechtspersonen die “De Fundatie van de Vrijvrouwe van Renswoude” werden genoemd. Zij bestaan tot op de dag van vandaag in Den Haag, Delft en Utrecht. Elk van de Fundaties voert haar eigen beleid, onafhankelijk van de twee andere fondsen.

In het vervolg wordt uitsluitend over de Haagse Fundatie gesproken. De Fundatie moest intelligente begaafde wezen een onderkomen verschaffen, waarin zij konden verblijven en les krijgen in ‘mathesis, teekenen of schilderconst, beeldhouwen of beeldsnijden, oefeningen in sware dijkagiën tot behoudinge van ons landt of dergelijke libre consten’.

In later tijd werden door de regenten van het fonds ook beurzen verstrekt aan talentvolle jongeren die niet in de Fundatie woonden. Tot op heden wordt door de Fundatie een actief beurzenbeleid gevoerd, waardoor vele jongeren die het werkelijk nodig hebben financieel gesteund worden bij hun opleiding.

vorigevolgende